|
De tak in de boom
Ergens in het oosten van Frankrijk ligt het makkelijk te
missen plaatsje Cloudeau. In de heuvelachtige omgeving grazen kleine kudden
witte koeien die schril afsteken tegen de felle kleuren van de bloemen en
grassen. De plek is niet aangetast door vakantiegangers, hoogstens bevuild
door een enkele tractor. Op een heldere dag lijkt het of de natuur je in het
gezicht schreeuwt, haar aanwezigheid extra voelbaar wil maken.
Het was op zo’n dag in de vroege lente dat op één van de
wandelpaden twee wandelaars te zien waren, een man en een vrouw. De vrouw
paste precies in het plaatje van het landschap: ze droeg een witte, lange rok
met gele en rode strepen en een groen vest erboven. Ze had lang, donker haar
en de blozende wangen van iemand die veel in de buitenlucht is. Vijfentwintig
jaar was ze maar door haar grote ogen, die altijd verwonderd naar de wereld
keken, leek ze jonger. Ze heette Lola en haar voornaamste bezigheid was wonen
in Cloudeau.
De man naast haar, die ongeveer begin dertig moest zijn, had
kort, bruin haar en een door de zon gebruind gezicht. Hij was mager en leek
daardoor langer dan hij werkelijk was. Zijn ogen waren klein maar lieten toch
een open gezichtsuitdrukking toe. Hij ging gekleed in een grauwe broek en dito
overhemd, beide versleten door jaren van intensief gebruik. Pepijn, zoals de
man heette, was een acteur. Hij reisde op zijn gemak de wereld rond en
verdiende zijn brood als levend standbeeld en verhalenverteller. De eerste
keer dat Pepijn in Cloudeau kwam, nu vijf jaar geleden, had hij zowel de
kleurrijke omgeving als het meisje dat nu naast hem liep in zijn hart
gesloten, waardoor het één van de zeldzame plekken was geworden waar hij nu en
dan naar terugkeerde.
Als Pepijn in Cloudeau was wilde Lola dat hij haar verhalen
vertelde. Verhalen over zijn reizen: over de mensen die hij had ontmoet en de
plekken die hij had gezien. Maar deze keer zou het Lola’s beurt zijn om een
verhaal te vertellen. Ze liepen, als gezegd, op een wandelpad dat over de
heuvels liep en Pepijn deed iets dat hij zelden deed: hij sprak zijn gedachten
hardop uit.
‘Het heeft me nooit getrokken om er een levensovertuiging op
na te houden. Ik wil alleen alles zien en hoe intensiever mensen ergens van
overtuigd zijn hoe zwarter het ze voor de ogen wordt. Tot ze op het punt komen
dat ze de wereld zelf niet meer zouden herkennen als deze bovenop ze zou
staan. Ik weet heel goed dat mijn ogen net zo door het leven zijn aangetast
als die van ieder ander. Maar als ik hier ben voel ik meer dan ooit dat ik
alles kan laten zijn zoals het is zonder ergens een oordeel over te vellen.
Alle tegenstellingen lijken hier weg te vallen, de dingen zijn hier mooi en
lelijk tegelijk zonder dat het iets uitmaakt’
‘Geloof je niet dat alles bestaat bij de gratie van zijn
tegenstelling, dat er bijvoorbeeld een verschil is tussen goed en kwaad?’
vroeg Lola.
‘Dat vind ik een moeilijke vraag,’ sprak Pepijn peinzend.
‘Iets kan goed of slecht voelen maar ik kan niet met mijn verstand het één
tegen het ander wegstrepen. Jij bent daar zelf een voorbeeld van.’
‘Ik?’ Lola wist niet of ze zich nu beledigd of gevleid moest
voelen en vroeg zich af of dat niet precies was waar haar vriend het over had.
‘Jij bent mooi, zo mooi dat ik vaak de behoefte voel naar je
toe te gaan. Tegelijkertijd ben je lelijk omdat je me dan belemmert een
onbekende weg in te slaan. Maar als ik nu naar je kijk vallen de
tegenstellingen weg en hoef ik je er alleen maar te laten zijn. Doe ik je op
die manier niet veel meer recht dan als ik vanuit een overtuiging iets van je
zou vinden dat je helemaal niet bent?’
Pepijn zweeg en Lola zei niets. Ze liepen nog altijd langzaam
over de heuvels die Lola zo bekend waren. Ze vroeg zich af of de omgeving voor
haar andere kleuren had dan voor hem. Haar ogen waren immers door een heel
ander leven aangetast dan de zijne.
‘De mensen hier geloven wel in goed en kwaad,’ zei Lola
plotseling. ‘Ze zijn in Cloudeau zowel gelovig als bijgelovig. Heb ik je nooit
verteld van de geest van Lou Lou Pied?’
‘Nee, vertel eens. Hebben jullie hier een geest?’
‘Het is zelfs een vrij mysterieuze geest. Lou Lou Pied was de
eigenaar van drie woningen hier. Op één van die woningen, pas gekocht door een
Nederlander, staat nog een bordje: Atelier Lou Lou Pied. Hij was het grootste
deel van zijn leven een soort variétéartiest - Lou Lou Pied was waarschijnlijk
niet zijn echte naam. Toen hij in Cloudeau kwam wonen moet hij al flink aan de
drank zijn geweest en uiteindelijk heeft hij zich dood gedronken. Het vreemde
is dat hij pas twintig jaar geleden is gestorven maar dat niemand zich hem in
levende lijve kan herinneren. Hij moet er zijn geweest, mijn ouders hebben nog
een aanplakbiljet van één van zijn shows. Maar niemand weet meer hoe hij eruit
zag, zelfs de mensen die hem persoonlijk kenden niet. Het schijnt ook dat alle
foto’s waarop hij stond geleidelijk zijn verdwenen, alsof hij na zijn dood nog
zijn sporen aan het uitwissen is geweest. Dus nu worden hier alle
onverklaarbare dingen toegeschreven aan de geest van Lou Lou Pied.
‘Was Lou Lou Pied een grote man, iemand van minstens twee
meter lang?’ vroeg Pepijn, die stil was blijven staan.
‘Nee, hij moet zelfs een heel klein mannetje zijn geweest,
hoezo?’
‘Dan zullen we een andere verklaring moeten zoeken voor de tak
in die boom daar.’
Aan de rand van het pad stond, in de met grassen begroeide
berm, een jonge, kale boom. De stam was nog dun, net als de takken en het hout
had een grijzige kleur. Bijna bovenin de boom hing een losse, grote,
donkerbruine tak die duidelijk niet van dezelfde boom afkomstig was als waar
hij in hing. De wandelaars waren verbaasd blijven staan.
‘Het is net of iemand die tak erin heeft gehangen,’ zei Lola
en dat was precies zoals het eruit zag.
‘Dat is natuurlijk mogelijk,’ zei Pepijn en was even stil. ‘Er
kan een lange man voorbij zijn gekomen die zin had om die tak in de boom
hangen maar dan weten we nog niet…’
Pepijns interesse was gewekt. Er scheen een fout in het
plaatje van de omgeving te zijn geslopen, een onvolkomenheid die net zo
makkelijk te herstellen moest zijn als hij was ontstaan. Het feit dat hij nog
niet kon zien hoe dat was gebeurd had hem actief gemaakt. Tot nu toe had hij
niks gedaan dan de omgeving in zich opgenomen, zich onbeschaamd verlekkerd aan
de zich blootgevende natuur. Maar nu leek het alsof er iets buiten de natuur
om was gebeurd en dat er een taak voor hem was weggelegd. Hij liep naar de
boom toe, keek omhoog en probeerde met een sprong de tak aan te raken. ‘Geen
kans,’ zei hij toen hij weer was geland.
‘Misschien kan je erbij als je op die boomstam gaat staan,’
wees Lola.
Schuin onder de boom met de vreemde tak lag een omgevallen
boomstam. Pepijn ging er op staan. Het lukt hem om zijn evenwicht te bewaren
maar hij kon nog steeds niet bij de tak. Lola kwam naast hem op de boomstam
staan.
‘Denk je echt dat iemand die tak in de boom heeft gehangen?’
vroeg ze.
‘Nee,’ zei Pepijn, ‘dat zou het plaatje niet compleet maken.’
Hij keek langzaam van links naar rechts over de felgekleurde heuvels. Hij
voelde weer hoe de kleuren om het hardst om zijn aandacht riepen, zich om de
beurt op de voorgrond drongen in het licht van de stralende zon.
‘Soms zie je iets pas goed als je het van een afstand
bekijkt,’ hoorde Lola hem opeens zeggen. ‘Houd je hand tegen je oog en je
herkent je eigen hand niet meer als hand. Houd hem een halve meter voor je en
je herkent hem weer. Weet je nog wat ik net zei over ergens van overtuigd
zijn? Ik zei dat hoe meer mensen ergens van overtuigd zijn, hoe zwarter het ze
voor de ogen wordt. Toen ik die tak in de boom zag geloofde ik dat er iets
onnatuurlijks moest zijn gebeurd, omdat het beeld niet klopte. Dat maakte me
blind, maar nu zie ik alles weer omdat ik die overtuiging los kon laten. Soms
zien mensen een oplossing nog niet als hij boven op ze staat; wij zagen de
oplossing niet terwijl we er zelf op staan.’
‘De boomstam…’ begon Lola.
‘Precies,’ zei Pepijn, ‘er is juist iets heel natuurlijks
gebeurd. Zie je dat de stam nog een kluit heeft aan het eind? De boom waarop
we staan is omgewaaid en is met een tak in de nog staande boom blijven haken.
De tak brak af terwijl de boom viel. Het zou me niets verbazen…’ Pepijn sprong
van de boomstam af en begon deze te onderzoeken.
‘Kijk,’ zei hij, ‘je kan nog precies zien waar de tak is
afgebroken.’
Lola keek naar de plek die haar vriend had aangewezen. ‘Ik
vind dat we de tak moeten teruggeven aan de omgevallen boom,’ zei ze met een
ernstige toon in haar stem.
Het bleek uiteindelijk niet moeilijk om de tak uit de boom te
krijgen. Vanaf de boomstam waagde Pepijn, zijnde de langste van de twee, nog
een sprong en raakte toen de tak met net genoeg kracht om hem naar beneden te
laten komen. Samen legden ze de tak op de plek waar hij van de stam was
afgebroken en alleen een heel oplettende voorbijganger zou kunnen zien dat de
tak niet daadwerkelijk meer aan de stam vastzat.
‘Ik heb het gevoel dat we iets moois hebben gedaan,’ zei Lola
toen ze al een eind verder waren gelopen.’
‘Ik heb het gevoel dat ik iets moois heb gezien,’ zei Pepijn.
‘En ik heb het gevoel dat je me straks dankbaar gaat zijn,’
zei Lola. ‘Ik ga namelijk courgettesoep voor je maken als we thuis zijn.’
‘Courgettesoep, hoe maak je dat ook al weer?’ vroeg Pepijn.
‘Ontzettend simpel: je snijdt een courgette in stukjes, kookt
hem vijf minuten in water, doet er roomkaas bij…’
26 april 2008
|